Kasper, de Garfieldkat

16 maart 2008

kasper.jpg

Toen ik nog getrouwd was hadden we nogal wat gedierte. 2 grote schildpadden, 5 kiekens, 1 haan, 2 konijnen en 4 poezen.
We woonden in een doodlopend straatje, in een landelijke fermette, met een tuin zo groot als een half voetbalveld.
Plaats genoeg voor veel dieren dus.
De 4 poezen waren katers. Punaise (pinijs), Kasper, Rasta en Roet.
De Kasper, dat was echt een garfield van een kater. Een uitzonderlijk lieve, uiterst aanhankelijke knuffelkat.
Hij was een allemansvriend, zowel van mensen als van dieren. Hij zou nooit een vlieg kwaad hebben gedaan. Letterlijk.

Een normale kat jaagt graag op muizen, ratten, vogeltjes en ander klein grut, maar Kasper niet.
Hij was de Michel Vandenbosch onder de dieren. Hij kon niet tegen dierenleed.
Niet dat hij niet ging jagen, hij kwam ook wel met zijn prooien pronken.
Afgebroken takken, twijgjes, blaadjes en onkruid, dat waren doorgaans de buiten waarmee Kasper kwam aanrukken na de jacht. 
Fier als een gieter.

In de wintermaanden kregen we regelmatig bezoek van 3 egeltjes. Mama, papa en het kleintje.
De eetbakjes van de poezen stonden altijd buiten aan de achterdeur en blijkbaar was kattenvoer voor die hedgehogs lekker spul.
Als we ’s avonds de bakjes over de terrasdallen hoorden schuiven dan wisten we dat de egeltjes de leftovers uit de kattenbakjes kwamen grissen.
Onze 3 andere katten bleven ver van de stekelbeestjes weg maar Kasper niet.
Die ging er naast of tussen zitten en at gezellig met hen mee.
Kasper, samen met zijn stekelvriendjes.

’s Zomers zagen we Kasper dikwijls gekke sprongen maken in de tuin. Dan zagen we hem spelen met vliegjes of muggen.
Of hij lag met zijn dikke buik in het malse gras en volgde vol fascinatie een werkende mier of een verdwaald lieveheersbeestje.
Terwijl de andere katten kilometers ver gingen jagen amuseerde Kasper zich uren aan een stuk in de tuin, met al zijn speelkameraadjes.

Op een avond waren we uitgenodigd voor een etentje bij vrienden in de buurt.
We maakten ons klaar om te vertrekken en Kasper leek ons aan te staren met een blik van “zijde gij nu weeral weg?”
We wandelden via het wandelpaadje achter onze tuin richting onze vrienden en Kasper volgde.
Hij week voor geen meter van onze voeten.
Ja lap, een kat aan ons been.

We dachten dat hij ergens halverwege wel zou terugkeren maar dat hadden we fout gedacht.
Aan de voordeur van onze vrienden zette hij zich, geduldig wachtend, op de drempel.
Toen de deur openging glipte hij naar binnen, plofte zich in 1 van de sofa’s, rolde zich op een bolletje en knorde zichzelf naar dromenland.
Niet te schatten.

Onze vrienden waren gelukkig ook poezenliefhebbers, ze bezaten zelf ook een tweetal exemplaren, en bovendien kenden ze Kasper goed. Voor hen was dat dus absoluut geen probleem dat hij zich daar nestelde.

Uren later, na een uitmuntend diner en iets te veel glazen Poire Williams maakten we aanstalten om huiswaarts te keren.
Terwijl wij onze jas aantrokken rekte Kasper zich eens goed uit, sprong knorrend van de sofa, schurkte zich kirrend tegen onze benen en wachtte tot de deur openging.
Hij trippelde kontwiegend voor ons uit, terug langs het paadje, door het hekje van onze tuin tot aan de achterdeur.
Daar plantte hij zich neer en begon gretig aan zijn eigen diner van kattenbrokken.

Kasper was een superkat, de Garfield der gezapigheid.
Nooit nog zal ik zo’n kater kunnen vinden.
Nooit zal ik het nog meemaken dat mijn kat mee op visite gaat.
Nooit zal ik hem vergeten.
Kasperemino.


Basco, de hond

3 maart 2008

basco.jpg

Menck had het laatst over een zwarte hond.
Dat verhaal, dat helaas geen happy end had, bracht mijn gedachten terug naar een tiental jaar geleden, naar onze hond  Basco.
Een raafzwarte kruising tussen een Groendaler en een Duitse scheper.

Toen we hem ophaalden in het asiel was hij net geen pup meer.
Het was een heel mooi beestje. Hij keek zo lief met zijn donkerbuine oogjes.  1 oortje zat altijd in een vouw geplooid, dat was zo grappig. En achteraan bengelde een koddig kortgewiekt staartje, dat maakte hem al helemaal speciaal.
Hij leek me een beetje verlegen en hij beefde nogal toen ik hem oppakte.
Maar hij kroop meteen veilig weg in mijn armen… ik was direct verkocht.

Waar hij vandaan kwam konden we niet meteen achterhalen maar dat deed er niet toe.
We zouden hem heel veel liefde geven en hem goed soigneren.
We zouden hem leren luisteren, gehoorzamen, zitten, liggen en apporteren op commando.
Basco zou een fantastische thuis krijgen bij ons en onze 4 katten.

Mijn intussen gewezen echtgenoot ging al vrij snel met hem naar de hondenschool in de buurt.
Mee in de auto rijden vond hij de max maar van discipline hield hij niet zo zeer.
Bevelen uitvoeren vond hij er een beetje over als hond en zijn soortgenoten op het terrein moesten ook niet op zijn sympathie rekenen.
Na elke meegetrokken meter bakende hij zijn territorium af.
Er mocht geen hond te dicht in zijn buurt komen of hij blafte die af op een niet mis te verstane toon.

Toch wierp de hondentraining na een aantal weken zijn vruchten af.
Hij ging braaf zitten en liggen en hij holde dapper achter elke stok aan die je weg gooide.
De stok terugbrengen lag hem dan weer iets minder, maar soit.

Basco groeide goed, en snel. Na een paar maanden kon je al heel duidelijk merken dat hij geen kruising was van 2 Yorkshirekes.
Zijn vacht glansde van gezondheid, hij dronk goed en at veel, wat ik dagelijks merkte aan de vele voortreffelijk gedraaide drollen die hij all over de oprit deponeerde.
Hij had nochtans zijn eigen WC; een met zacht zand gevulde afgebakende dubbele vierkante meter aan de rand van de tuin.
Doch daar trok hij zijn neus voor op. Dat is iets voor katten, zal hij gedacht hebben.

Mijn man kon alles met hem doen, hij volgde en gehoorzaamde hem als een volleerde prijshond.
Basco was ook een fantastische speelkameraad voor onze 4 katers.
Maar ik, ik kreeg maar geen vat op dat beest.
Als ik hem iets vroeg dan leek het alsof hij mij stond uit te lachen.
Hij had 1 baasje en dat was diegene die met hem naar de hondenschool ging.
Dat ik hem eten en drinken gaf, zijn stront opkuiste en hem waste en kamde, dat kon hem worst wezen.

Op een avond was ik alleen thuis en zat in de sofa TV te kijken, toen Basco voor wat genegenheid op mijn schoot gekropen kwam.
Ik aaide hem over zijn geplooide oor, streelde zijn glanzende zwarte vacht en genoot intens van de manier waarop hij zich tegen me aan aanvlijde.
Na een uurtje gezellig knuffelen moest ik plassen. Dat kan gebeuren.
Ik wou opstaan maar meneer had daar niet te veel zin in. Hij verroerde geen vin poot.
In een vijfde poging om hem zachtjes van mijn schoot te halen liet hij ineens zijn tanden zien.
Hij gromde. Ik zag agressie in zijn ogen.
Ik kan het u verzekeren: dat doet geen goed aan de tikker.

Nog zeker anderhalf uur heb ik daar zo gezeten, met die grote lieverd op mijn schoot.
Nooit ben ik zo blij geweest dat ik de autoabanden op de kiezelsteentjes van de oprit hoorde.
Mijn man was nog niet binnen of ik zei zachtjes: “als ge nie maakt dat dat beest hier binnen de second van mijne schoot af is dan pis ik heel de living onder!”
Het duurde welgeteld 1 klik met zijn vingers.
Ik was eindelijk bevrijd en ook mijn opgekropte tranen van schrik en woede maakten zich vrij.

Velen hebben zich bescheurd bij het horen van die anekdote.
Ik lachte mee, zij het lichtjes donkergroen.
Nog steeds ligt mijn ex in een deuk als hij eraan denkt.

Ik heb ook een deuk.
Mijn sympathie voor en vertrouwen in dat soort viervoeters is sindsdien helemaal verdwenen.